Mogen zijn wie je bent

Wie zegt dat en waarom?
Als je zegt tegen een ander ‘Je mag zijn wie je bent.’, geef je onbewust je autoriteit aan. ‘Ik bepaal dat jij dat mag.’ Je impliceert ook een soort alwetendheid. Alsof je weet wat die ander is. Natuurlijk is dat niet per se zo bedoeld. Soms lijkt het eerder bedoeld om te troosten in het geval de ander tegen moeilijkheden aanloopt en daaronder gebukt gaat. Ook in ons onderwijs worstelen we hiermee. Aan de ene kant denken we graag dat we weten wat goed is voor de leerling. Aan de andere kant willen we de leerling de ruimte geven ‘te zijn wie hij is’. Wat een dilemma!

Zelfbeeld
Het beeld dat leerlingen over zichzelf hebben, wordt gevormd door interactie met hun omgeving. De opvoeding, de media, reacties van mensen om hen heen, dragen bij aan dit zelfbeeld. Vaak leidt dat tot de misvatting, dat ze dat beeld ook echt zíjn. ‘Ik heb adhd’ wordt dan ‘ik ben adhd-er’ of ‘ik heb dyslexie’ wordt ‘ik ben dyslect’. Alle aandacht gaat naar het etiket. Elk etiketje dat opgeplakt wordt, draagt een beperking in zich. Komt daaroverheen de opmerking ‘je mag zijn wie je bent’, dan wordt onbewust het etiketje benadrukt. Daarmee doen we de potentie die de leerling heeft te kort.

Van aanleg naar talent
Meestal noemen we iemand getalenteerd als al zichtbaar is waar iemand heel goed in is, bijvoorbeeld in muziek of tekenen. Er is al heel wat oefening aan vooraf gegaan voordat we iemand getalenteerd noemen. In het onderwijs is het onze taak om ook de nog niet zichtbare talenten te helpen ontplooien, een aanleg te herkennen die zou kunnen uitgroeien tot een talent. Een hulpmiddel om die aanleg te herkennen is om te kijken naar de kwaliteiten van leerlingen. Die geven meestal een indicatie van een aanleg tot iets. Een hulpmiddel daarbij kan zijn om het kwaliteitenspel te gebruiken. Vervolgens is het belangrijk om de aanleg te benoemen en de leerling uit te dagen deze in steeds complexere situaties toe te passen. Gagné heeft dat als volgt in schema gezet:

Gagne

Dit schema maakt duidelijk dat een aanleg niet vanzelf uitgroeit tot talent (deze video legt het model verder uit). Duidelijk wordt ook dat we talent slechts zien bij een beperkt aantal leerlingen (top 10%). Dat betekent niet dat andere leerlingen geen talent zouden kunnen hebben, maar dat ze nog onvoldoende weten welke aanleg ze hebben en onvoldoende in gelegenheid zijn gesteld deze tot ontplooiing te brengen. Een talent is het gevolg van hard werken. Veel van onze leerlingen zouden we daarom onderpresteerders kunnen noemen. Hun potentie wordt onvoldoende aangeboord omdat we ons verliezen in het zelfbeeld. Dit heeft tot gevolg dat we de leerling niet benaderen vanuit zijn mogelijkheden, maar vanuit zijn beperkingen. Misschien kunnen we ‘Je mag zijn wie je bent.’ voorlopig beter vervangen door ‘Je mag ontdekken wie je bent.’. Dat doet meer recht aan de inspanning die van zowel de docent als de leerling wordt gevraagd.