Coachende docent

Ieder mens heeft een diepgewortelde behoefte zichzelf te leren kennen, in volle glorie. Ieder mens zoekt vroeger of later naar zichzelf, naar een verklaring waarom hij/zij dingen op een bepaalde manier doet, naar een manier om ‘beter’ te worden, zichzelf op de proef te stellen. Al in onze jonge jaren doen we over onszelf ideeën op door de reactie van onze omgeving op ons handelen. Ideeën die later soms te beperkend blijken te zijn en niet behulpzaam om een tevreden bestaan te leiden. Veel tijd gaat verloren met het zich ontworstelen aan die beperkende ideeën. Wat zonde!

Docenten hebben de mooie taak om leerlingen te begeleiden naar een ruimer zelfbeeld, om hen te laten ervaren dat ze dingen kunnen die ze eerder niet voor mogelijk hielden en om hun kwaliteiten te leren kennen. De enige manier waarop dat mogelijk is, is door leerlingen te coachen. Een docent ziet zich voor de complexe taak om zo’n 30 leerlingen die hij/zij een paar uur per week ziet en waarin ook nog sprake moet zijn van kennisoverdracht, te coachen. Dat kan alleen door opdrachten te ontwerpen die groepscoaching mogelijk maken en waarbij de leerling tóch weet ‘Dit gaat over mij.’.

Opdrachten die kwaliteiten zichtbaar maken

Kwaliteiten zijn goede eigenschappen, zoals behulpzaamheid, doorzettingsvermogen, concentratievermogen, spontaniteit, creativiteit, enzovoort. In het kwaliteitenspel (Gerrickens, 1997) zijn 70 kwaliteiten opgenomen ter inspiratie. Het is niet zo moeilijk om opdrachten te bedenken waarbij leerlingen van die kwaliteiten gebruik moeten maken. Zo kunnen woordjes die geleerd moeten worden bij talen, gebruikt worden in een fictief verhaal (creativiteit) of kan een escaperoom bij scheikunde een beroep doen op het samenwerkend vermogen. Voor docenten biedt dat de mogelijkheid om op die manier hun eigen creativiteit aan te spreken.

Bestendigen

De kracht van dergelijke opdrachten zit hem in het zichtbaar maken en bestendigen van kwaliteiten. Dit kan tijdens het werken en na afloop. Door tijdens het werken rond te lopen en feedback te geven op de kwaliteiten die leerlingen laten zien, worden zij zich hiervan bewust en kunnen ze deze dus ook gerichter gaan inzetten. Ook geeft het de mogelijkheid om tips te geven om nog effectiever gebruik te maken van die kwaliteiten. Leerlingen die bijvoorbeeld met veel enthousiasme gewerkt hebben aan de oplossing van een vraagstuk, kunnen gecomplimenteerd worden voor dat enthousiasme. Vervolgens kan de docent een moeilijkheidsfactor toevoegen, waardoor dat enthousiasme opnieuw in praktijk gebracht kan worden, maar nu bewust. Na afloop is het belangrijk leerlingen zelf te laten reflecteren op de kwaliteiten die zij inzetten. Dat kan door hen elkaar complimenten te laten geven over de rol die ze hebben vervuld of hun eigen kwaliteiten te laten benoemen. In het begin zal dat wat onwennig zijn en het is ook zeker niet de bedoeling dat leerlingen maar wat gaan verzinnen om aan de opdracht te voldoen. De docent zal daarom door moeten vragen, waardoor leerlingen oprechte antwoorden gaan geven. Gaandeweg zal het echter steeds normaler worden en zal het zijn vruchten gaan afwerpen in de vorm van leerplezier.

De flow

Door erkenning te geven en te krijgen voor kwaliteiten, ontstaat er een flow die het werken een stuk plezieriger maakt (Evelein & Korthagen, 2011). Daarbij is het belangrijk om te zoeken naar hoe de kwaliteiten aansluiten bij de idealen en diepste waarden van leerlingen. Een compliment krijgen over iets wat je als leerling niet als waardevol beschouwt, leidt niet tot meer zelfvertrouwen. Flow ontstaat als je zingeving ervaart in wat je doet, als je creativiteit aangesproken wordt en je het gevoel hebt dat wat je aan het doen bent ertoe doet (Csikszentmihaly, 2009). Om erachter te komen wat voor leerlingen betekenisvol is, is het noodzakelijk  om coachende vragen te stellen, vragen die het denkproces bij de ander op gang brengen en die de ander zelf laten nadenken over de stappen die nodig zijn om verder te komen (Visser, 2016). Dat kunnen vragen over de inhoud zijn, zoals ‘Wat heeft ertoe bijgedragen  dat het uitvoeren van deze opdracht lukt?’ of ‘Wat heb je gedaan waar je trots op bent?’ of op de aanpak zoals ‘Wat maakt jou gemotiveerd?’ of ‘Welke kwaliteit heb je hier laten zien?’.

Ruimte voor het kunnen stellen van die vragen, ontstaat als de opdrachten die ontworpen zijn, aansluiten bij wat leerlingen nuttig vinden en die hun kwaliteiten zichtbaar maken. En zo is de cirkel weer rond :-).

Meer lezen:

Csikszentmihaly, M., & Nakamura, J. (2009). Flow theory and research. In: Lopez, S.J., & Snyder, C.R. (red). The Oxford handbook of positive psychology (p. 195-206). New York: Oxford.

Evelein, F., & Korthagen, F. (2011). Werken vanuit je kern. Professionele ontwikkeling vanuit kwaliteiten, flow en inspiratie. Amsterdam: Boom Nelissen.

Visser, C. (2016). Progressiegericht werken. Driebergen: Just-in-time books.

Voerman, L. & Faber, F. (2016). Didactisch coachen. Leiden: De Weijer design.